Wat zijn grootburgers/kleinburgers in Deventer?

Koerhuis op de Bergweide Deventer 1744 (1194_11533)

Tegenwoordig is iemand wel of niet staatsburger van een land: van Nederland, van Marokko of van Canada. Geen betekenis is verbonden aan het burger zijn van een stad, een dorp, een gemeente. Heel lang is dat anders geweest. Mensen waren ingezetene of burger van een plaatselijke gemeenschap, niet van een groter geheel als een provincie of een land. Zo kende de stad Deventer ingezetenen en burgers. Eerstgenoemden hadden wel toestemming gekregen om binnen de stad te wonen, maar ze hadden er verder geen rechten. Burgers daarentegen mochten zonder beperkingen in de stad handel drijven, waren vrijgesteld van de betaling van tolgeld dat de stad hief en mochten tot 1545 de stadsweiden gebruiken. 

Die weiden waren stroomopwaarts, gelegen aan weerszijden van de IJssel (dus in de richting van Gorssel en Wilp). Het jaar 1545 viel in de bloeitijd van Deventer. Het burgerschap was geliefd en het aantal burgers nam snel toe. Velen van hen maakten gebruik van hun recht om vee op de stadsweiden te laten grazen en op die weiden werd het dan ook steeds drukker met koeien en paarden. Daar wilde de stad iets aan doen. Zo kon het gebeuren, dat in 1545 de stedelijke regering een onderscheid aanbracht tussen de burgers: grootburgers mochten in het vervolg wel, maar kleinburgers niet meer de weiden gebruiken. Vandaar dat deze twee soorten Deventenaren ook bekend stonden als gras-, respectievelijk halfburgers. Het verschil kwam niet alleen tot uitdrukking in het beschikken over meer of minder rechten, maar ook in een hogere dan wel een lagere koopprijs voor het burgerrecht. Het tweede verschil tussen beide categorieën van stedelingen ontstond in 1560, toen het Burgerweeshuis werd opgericht voor uitsluitend wezen van grootburgers.  Alleenstaande kinderen van kleinburgers, van ingezetenen en van overleden ouders zonder band met Deventer moesten zich maar wenden tot het armbestuur en konden vanaf 1679 worden opgenomen in het Kinderhuis.

Het grootburgerrecht ging over op in Deventer geboren wettige kinderen waarvan de vader dat recht bezat. De stad kon het recht ook cadeau doen. Dan gold het als een secundaire arbeidsvoorwaarde voor van elders komende functionarissen, bijvoorbeeld voor ambtenaren, organisten en hoogleraren. In de 17e en 18e eeuw moest een toekomstige grootburger naar het stadhuis komen met zijn eigen geweer (als teken dat hij de stad wilde helpen verdedigen) en met twee brandemmers in de hand (als teken dat hij bereid was om mee te helpen met de brandweer). Aldus toegerust legde de nieuweling voor de stadsregering de burgereed af.

In het midden van de negentiende eeuw hielden steeds minder stedelingen vee. Na veel discussie heeft de gemeenteraad in 1866 een nieuwe regeling vastgesteld die nog steeds van toepassing is. Het verkopen of schenken van het grootburgerrecht werd beëindigd. Degenen die nog over dit recht beschikten mochten kiezen tussen een jaarlijkse uitkering van dertig gulden of het weiden van een paard.

Grootburger is men nu wanneer men wettig afstamt van een van de in 1866 als zodanig geregistreerde families, te Deventer is geboren en er een zelfstandige huishouding voert. De vererving geschiedt in mannelijke lijn. Bij vrouwen wordt het recht slapend door huwelijk. Voert de dochter van een grootburger in ongehuwde staat een zelfstandig huishouden, dan heeft zij wel recht op een uitkering. Dat geldt ook wanneer zij weduwe of wettig gescheiden is. Grootburgers die de stad verlaten, kunnen weer één jaar nadat zij zijn teruggekomen aanspraak maken op hun recht.

Geleidelijk daalt het aantal grootburgers. Door het uitsterven, maar vooral door het verhuizen van families uit de gemeente is hun aantal nu nog 116 en behoren zij tot 30 verschillende families. Tenminste één grootburger laat elk jaar nog een paard weiden. De uitvoering van de regeling van het recht is in handen van de afdeling Burgerzaken van de gemeente. Eens in de vijf jaar nodigen burgemeester en wethouders alle grootburgers uit voor een feestelijke bijeenkomst in het stadhuis. Iemand houdt daar een inleiding, één van de aanwezigen krijgt haar of zijn uitkering in contanten uitbetaald en allen ontmoeten elkaar tijdens een receptie. Zo houdt de gemeente Deventer dit historische recht, herinnering aan een lange en rijke geschiedenis, in ere.