HHoe heeft de stad zich in de loop der eeuwen ontwikkeld?

Plan van bebouwing Vestinggronden Deventer 15 maart 1882

De nederzetting Deventer is ontstaan na de komst van Lebuinus, die tussen 768 en 772 een houten kerkje had gesticht. Er vestigden zich langs de IJssel handelaren, die bij hun woningen korte steigers hadden, waaraan zij boten konden laden en lossen. Vlak daarachter woonden boeren en ambachtslieden.

Rond 1100 kreeg de stad haar eerste omwalling. Die was nog niet van steen, maar bestond uit een aarden wal met houten palissaden en een gracht. Een aantal stenen torens was in deze verdedigingswerken opgenomen, waarschijnlijk van het type zoals er een tijdens opgravingen in 1948 in de Polstraat was blootgelegd. De eerste omwalling moet hebben gelegen langs de rechte lijn Graven-Stromarkt-Engestraat, om bij de Broederenkerk - die er toen overigens nog niet stond - om te buigen in de richting van de Penninckshoek aan de Brink. Vandaar boog zij om in de richting van de Bokkingshang, langs de toenmalige haven van Deventer.

In het tweede kwart van de 13e eeuw is het hele Bergkwartier evenals het gebied dat nu Noordenbergkwartier heet, binnen de stad gekomen. Het grotere Deventer kreeg een ruimere stadswal aan de landzijde, die weer van een gracht was voorzien. Deventer werd in alle opzichten belangrijk. De stad was niet alleen het kerkelijke, maar ook het bestuurlijke en economische centrum van het Oversticht geworden. Deze wal werd in de 13e eeuw vervangen door een stenen muur, die aan de buitenzijde door een gracht werd omgeven. Het was een natte gracht, want in 1344 zwommen er zwanen.

Weer een eeuw later begon men aan de waterzijde, langs de IJssel en de haven, op ongeveer 12 meter afstand van de bestaande muur een tweede muur te bouwen. Die muur was waarschijnlijk rond 1360 voltooid. Later zijn er mogelijk nog nieuwe vestingtorens aan toegevoegd.

Het stratenplan van Deventer, zoals we dat nu voor de binnenstad nog kennen, was al grotendeels gevormd, toen in 1334 een grote stadsbrand tweederde van de huizen verwoestte.

Het langst onbebouwd bleef het noordoostelijke deel van de stad. Toen het stadsbestuur in 1315 de smeden een afzonderlijke straat aanwees om hun brandgevaarlijke smidsen te bouwen, lag die straat waarschijnlijk nog een eindje buiten de aaneengesloten bebouwing. Vermoedelijk ging het om de Korte Bisschopstraat. In het verlengde van die straat ontstond de Smedenstraat. Tussen de Pontsteeg en de Smedenstraat lag nog zoveel ruimte dat daar omstreeks 1338 het Broederenklooster kon worden gebouwd. Toen tegen het einde van deze eeuw de volgelingen van Geert Grote, de Moderne Devoten, hun broeder- en zusterhuizen stichtten, was er juist in dit stadsdeel nog plaats. Het Mr. Geertshuis verrees aan de Smedenstraat, het Arme Fraterhuis aan de Spinhuissteeg en het Brands- of Ursulahuis aan de Bagijnenstraat.

Na de overgang van de stad naar Staatse zijde in 1591 kwam rond de stad een ruimere, geheel nieuwe vestinggordel, die in 1634 was voltooid.

Tegen het einde van de 18e eeuw was er al sprake van enige bebouwing buiten de stadspoorten. Van een grote bouwactiviteit kon echter tot ver in de 19e eeuw geen sprake zijn. In 1814 kreeg Deventer namelijk de status van vestingstad, waardoor binnen een ruime kring buiten de vestingwallen niet gebouwd mocht worden. Pas toen Deventer in 1874 die status verloor, konden daar omvangrijke woningbouwprojecten tot stand komen.

Die woningbouw was oorspronkelijk vooral aan het particulier initiatief ontsproten. Pas na de Woningwet van 1901 namen woningbouwcorporaties en de stad zelf het voortouw. Zij legden een reeks arbeidersbuurten om de oude stad heen. Achtereenvolgens ontstonden: het Rode Dorp (1914), de Burgemeestersbuurt (1918-1919), Driebergenbuurt (1919-1920), het Knutteldorp (1923-1924), de Gerard ter Borchstraat en omgeving (1924-1926), het Hoornwerk (1924-1929) en de Bierstraat en omgeving (vanaf 1924). Het laatste complex voor de Tweede Wereldoorlog was Tuindorp (1936), dat na de oorlog verder uitgebreid is.

Nadat na de oorlog de ergste schade aan bestaande huizen was hersteld, kwamen er vanaf 1948 weer nieuwe buurten bij. Achtereenvolgens ontstonden: de Zandweerd (1948) en de Rivierenwijk (1950). In de jaren zestig werden de Rivierenwijk II, de Keizerslanden en Borgele gebouwd.

In 1974 werd Colmschate bij de gemeente Deventer gevoegd. Voortaan werd de nieuwbouw op dat gebied gepland. Op het voormalig Colmschater grondgebied verrezen de wijken Oostrik (1974), Groot Douwel (1979), Blauwenoord (1982), Het Roessink (1985), Essenerveld (1989), Het Swormink (1992) en vanaf 1995 De Vijfhoek.